Witte wieven en elfen – Ruud Borman

mythe

Veel van het verleden is onder de grond of in archieven bewaard gebleven. Van sommige episoden weten we weinig omdat het bronnenmateriaal te fragmentarisch is of gewoonweg ontbreekt, maar er zijn ook voorbeelden van het bewust manipuleren, vervalsen of zelfs elimineren van historische feiten waardoor de juiste toedracht niet of nauwelijks valt te achterhalen. Daar komt nog bij dat dat degenen die de geschiedenis op schrift stelden tot nog niet zo lang geleden vrijwel uitsluitend uit mannen bestonden die in de westelijke wereld ook nog eens via het christendom een zeer lage dunk ten opzichte van vrouwen hadden meegekregen. Dat heeft er toe geleid dat vrouwen eeuwenlang een ondergeschikte en soms zelfs onderdrukte rol in de maatschappij hadden, die in de meest extreme vorm tot uiting is gekomen tijdens de heksenvervolgingen. Al die tijd is er sprake van eenzijdige geschiedschrijving geweest vanuit het mannelijk perspectief. Zelfs in het dagelijkse spraakgebruik, in de folkore en in sprookjes werden vrouwen vaak als kwaadaardige en onbetrouwbare wezens neer gezet.

Tijdens het schrijven van mijn boek ‘Witte wieven en elfen, fluisteringen uit de Andere Wereld’ heb ik ontdekt dat oeroude overleveringen in Nederland sinds de komst van het christendom vaak zijn verketterd als uitwassen van een heidens en volgens de Kerk dus duivels verleden. Over deze verhalen werd een saus van kwaadsprekerij gegoten die er pas sinds enige decennia van af geschraapt wordt.

Zo kregen verhalen over witte wieven in de loop der tijd ook een negatieve lading. Die verhalen speelden zich vooral af op de hogere zandgronden van Oost-Nederland. Witte wieven leefden volgens de overlevering in prehistorische grafheuvels en moerassen, plekken die je vroeger maar beter kon mijden. Ze ontvoerden boerinnen en hun dochters en namen ze mee naar hun geheimzinnige krochten. Ook konden ze gevaarlijk worden tegen overmoedige dronken boeren die hen uitgedaagd hadden.

Oorspronkelijk waren er verhalen waarin witte wieven boeren vaak hielpen bij het binnenhalen van de oogst en kraamvrouwen bij de bevalling. Hierin klinken waarschijnlijk de zwakke stemmen door van rituele handelingen in een ver verleden, die met vruchtbaarheid te maken hadden en wellicht uitgevoerd werden door priesteressen die bij de grafheuvels en moerassen de toegangspoorten tot de Andere Wereld bewaakten. Uit veel verhalen blijkt dat mensen in de donkere tijd van het jaar grafheuvels konden binnengaan en daar in een geheimzinnige voorpoort van een magisch land terecht kwamen waarover ze bij hun terugkomst niet mochten spreken. In oude keltische mythen beschouwden het min of meer vergelijkbare elfenvolk, de Tylwyth Teg uit Wales en de Tuatha dé Danann uit Ierland hun prehistorische begraafplaatsen en andere sacrale plekken in de natuur ook als toegangspoorten tot de Andere Wereld.

In tegenstelling tot de verhalen over de witte wieven zijn de mythen over de ’faeries’ tot op de dag van vandaag populair bij de keltisch sprekende bevolking van Wales en Ierland. In deze mythen werd het elfenvolk gezien als de oorspronkelijke machtige bewoners van hun land. Ze werden de helden en goden in hun mythologie. Zij bouwden de beroemde monumenten zoals Stonehenge en Avebury, waarnaar de Kelten met bewondering keken toen zij deze gebieden veroverden. Vrouwen stonden in hoog aanzien in de keltische wereld en waren volkomen gelijkwaardig aan mannen. In Ierland waren het de krijgsgodinnen als Macha en De Morrigan die mannen opleidden tot de strijd.

Tot de bekende personen van hun Andere Wereld behoorden ook Koning Arthur en zijn hofhouding. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze vorst na zijn laatste strijd naar het heilige eiland Avalon werd gebracht waar Morgana le Fay en haar medepriesteressen de oude wijsheid bewaarden. In Nederland behoorden de oude religie, wijsheid en tradities heel lang tot het vergeten verleden. Hunebedden waren ‘door reuzen gebouwd’ en witte wieven waren ‘boosaardige, in de duisternis rondspokende vrouwen’. De heidense erfenis was heel goed weggestopt, maar langzaam maar zeker komen flarden ervan weer boven drijven door onderzoek in de grond en in archieven. Als de witte wieven inderdaad prehistorische priesteressen waren, werd hun kennis dan misschien doorgegeven en waren de toveressen uit de heksenprocessen wellicht hun opvolgers?




Nils Johan Olsson Blommér (1816–1853) was een Zweedse schilder.

Ruud Borman

Mijn onderwijzer van weleer verstond de kunst van het vertellen.Toen hij tijdens mijn eerste geschiedenisles over de hunebedden sprak, zag ik zijn verhaal als een beeld voor me en was ik voorgoed verslingerd aan het verleden. Ik werd een vaste bezoeker van de bibliotheek waar ik het ene na het andere historische boek leende. Egyptenaren, Grieken en Romeinen, alles boeide me. Ondertussen ontdekte ik niet ver van huis een stortplaats van modder uit de Amsterdamse grachten en daar peuterde ik heel wat flesjes en potjes uit. Op de fiets ging ik op zoek naar oude plekjes in Waterland waar piepkleine mooie dorpjes lagen. Op vakantie in Nunspeet ontdekte ik het ‘oerbos’ uit de prehistorie en fantaseerde ik over hoe het daar in het verre verleden uit had gezien. Mijn grootouders in Colmschate, achter Deventer, hadden een boederijtje dat zo in het Openluchtmuseum kon worden opgenomen. Ik hoorde er van mijn grootvader de eerste verhalen over witte wieven.

Jaren later was ik conservator van de archeologische en historische afdeling van het Gemeentemuseum Arnhem. De collectie bodemvondsten was groot en belangrijk. Het meest tot mijn verbeelding sprekende onderdeel werd gevormd door tientallen standvoetbekers en klokbekers; prachtig gevormd en versierd aardewerk van duizenden jaren oud. Ze hadden de geur van hun grondstof leem al die eeuwen behouden. Ongelooflijk. Een van mijn eerste archeologische vondsten was de werkplaats van een vuursteensmid. De paalsporen van de hut waarin hij werkte waren nog zichtbaar.

Op zeker moment ging ik voor de organisatie van een tentoonstelling over Stonehenge voor het eerst naar Engeland en kwam onder de indruk van de prachtige landschappen en talloze archeologische en historische monumenten. Stonehenge en Avebury moest ik natuurlijk zien, maar ik had ook het boek ‘Nevelen van Avalon’ van Marion Bradley bij me en moest dus ook zeker Glastonbury zien. Ik zag plaatsen uit de verhalen over koning Arthur en zijn magische hofhouding en kwam daardoor ook in aanraking met de Andere Wereld van de keltische mythologie. Er volgden nog veel reizen naar de desolate uithoeken van Groot Brittannië en Ierland en ik kwam er steeds meer achter dat de keltische mythen ons een mooie en boeiende inkijk geven in de Andere Wereld, waar tijd geen rol speelt en de bewoners jong en gezond blijven.

Ruud heeft tien boeken en vele artikelen geschreven over archeologie en geschiedenis. De laatste jaren schrijft hij boeken over magische onderwerpen. Ruud woont samen met zijn vrouw Jessica in Arnhem.

Recente boeken:
– ‘Witte wieven en elfen, fluisteringen uit de Andere Wereld’ – Geesteren 2011
– ‘Toverij en toveressen, achtergronden van heksenvervolging in Nederland’ – Amsterdam 2015

facebook: ruud borman

E-mail:
alchemystic@outlook.com

Website:
ruudstijdreizen.blogspot.com

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail